Mijn tekeningen

Een belangrijke drijfveer voor mijn kunst is de drang die ik ervaar om bijna voortdurend te tekenen.

De enigszins neurotische neiging om steeds te tekenen op papiertjes en in de marges van tijdschriftpagina’s etc. ontstond gedurende mijn schooltijd.

De eindeloos lange schooldagen kwam ik met moeite door en in de menigte voelde ik me eenzaam. Ik slaagde er helaas niet in om van mijn gedwongen verblijf in de klas iets positiefs te maken of iets interactiefs. In plaats van de confrontatie aangaan en contacten te leggen ontwikkelde ik vermijdingtactieken en manieren om van de mij omringende werkelijkheid weg te dwalen. Dagdromend tekenen werd een hardnekkig aanwensel. Mijn gekrabbel in de paginamarges en op alle papier dat ik onder mijn vingers kreeg was onuitroeibaar, ondanks vermaningen en straffen.

U vraagt zich nu natuurlijk af of een ‘tekentalent’ dat zich op zo’n manier ontwikkelt wel iets voor kan stellen. Ik hoor u al zeggen: , “iemand die zo bezig is heeft iets van een perpetuum mobile: het gaat maar door als iemand die voortdurend onbetekenende verhalen voor zich uit neuzelt”.

Nu ja, het kan zijn dat u dat vindt maar probeer het alstublieft van meer kanten te bekijken. Mijn schoolperiode ligt inmiddels al ver achter me en ik vind het niet fair dat u me de vermijdende trekken die ik als kind zonder twijfel had maar steeds blijft nadragen. U zou zelf ook wel kunnen bedenken dat ik inmiddels mijn beeldende kwaliteiten (die er heus wel zijn) heb ontwikkeld en heb leren gebruiken om te communiceren. Ik heb me intussen ontwikkeld tot iemand die heel legitiem een beroep beoefent. Evenals de kok die een onbedaarlijke snoeper is, een veelvraat. Maar hij gunt zijn medemensen oprecht het genot van een maaltijd. Of de brandweerman die als latente pyromaan verliefd is op de vlammen. Maar in alle oprechtheid wil hij mensen redden en het vuur bestrijden. Zo wil ik ook dat mijn tekenen en al mijn kunst iets voorstelt en dat u er iets in ziet.

Vanaf het moment dat ik dacht dat ik kunstenaar wilde zijn had ik een bepaald probleem. Omdat mijn tekendrang niet voortkwam uit bijvoorbeeld de behoefte om de zichtbare werkelijkheid te observeren of uit het vooropgestelde doel om een of ander verhaal te vertellen had ik aanvankelijk nauwelijks een mening over de aard en kwaliteit van wat ik maakte. Ik hoor u nu al weer zeggen: “dat is belachelijk voor iemand die zogenaamd kunstenaar wil zijn”. Ik zou u toch willen vragen mij niet steeds in de rede te vallen. Geeft u mij alstublieft even de tijd om mijn verhaal te doen.

Enfin, omdat ik zelf niet zoveel mening had over wat ik maakte kende ik aan het commentaar van anderen bijzonder veel gewicht toe. Ik had wel enige groteske, halfmystieke ideeën over wat kunst zou moeten zijn: vooral hartstochtelijk en experimenteel en zo. Verder was ik als een lege fles die telkens weer gevuld werd met wat een of andere ‘kunstkenner’ over mijn werk zei. Ik verzeker u dat zeer veel mensen hun mening hebben over kunst. Mijn fles werd telkens weer gevuld door wat halvegaren of verstandigen zeiden over mijn werk. Dit ging jaren lang zo, een martelgang. En elke keer bleef er iets van een bezinksel achter in mijn fles tot die halfgevuld was met kleiachtige slib. Deze laag slib was net voldoende voor mij om er mezelf als kunstenaar uit te boetseren. Zo, nu weet u ook waarom men zegt dat de mens gevormd is uit klei.